“conspiracy theorist”

“conspiracy theorist”

In 1967 werd in het Amerikaanse Congres de “Freedom of Information Act” goedgekeurd, die stipuleerde dat burgers het recht hadden om gelijk welk document van gelijk welke overheidsinstantie op te vragen en op die manier publiek te maken. Daarvan maakte de New York Times gebruik om een document te bekomen dat in de archieven zat van de CIA, de Amerikaanse inlichtingen dienst, en ondertussen berucht is geworden als “Nota 1035-960”.

Dat document is een intern memorandum, bedoeld voor “propaganda assets” met als zelfverklaard doel

“materiaal te voorzien waarmee de claims van conspiracy theorists weerlegd kunnen worden, zodat de verspreiding van hun theorieën wordt tegengegaan”.

De actualiteit van die jaren, namelijk, was dat in Amerika quasi niemand de officiële conclusie van het Warren-rapport geloofde, die beweerde dat JFK door één kogel om het leven zou zijn gebracht, die op magische wijze toch drie trajecten aflegde. De zogenaamde “magic bullet”.

De bedenkers van het officiële discours zaten met andere woorden dus met een serieus probleem. Had de overheid gelogen? Had ze iets te verbergen misschien? De taak van de CIA, zodoende, was om ervoor te zorgen dat die legitieme kritiek zoveel mogelijk in de kiem werd gesmoord. Niet op frontale wijze natuurlijk, want dat zou teveel opvallen. Maar vooral door het sociaal isoleren van iedereen die een andere hypothese durft te opperen dan het officiële verhaal. Het woord dat men van dan af op dat soort critici ging plakken was “conspiracy theorist”.

Door dat woord te linken aan overduidelijk irrationeel en absurd gedrag – ik sluit bijvoorbeeld niet uit dat de hele UFO-gekte eveneens vanuit geheime diensten is opgezet, om zo, door “killing by association” het hele spectrum aan critici over één kam te kunnen scheren – heeft het woord inderdaad een zeer negatieve bijklank gekregen, zo erg zelfs, dat we gerust mogen spreken van een “weaponized word”: een woord dat, door het uiten ervan alleen al, zo’n sterke emotionele reacties oproept, dat een redelijk debat niet meer mogelijk is.

Jarenlang heb ik ervaren, bijvoorbeeld, hoe bij het opperen van het idee dat je door het werpen van een colablikje (uit aluminium) geen muur (uit steen of staal) in stof uiteen kan doen vallen er zich over de meestal heldere ogen van mijn debatpartners een vreemde waas ging trekken. Dat kun je echt, fysiek, visueel zien gebeuren. Het is alsof plots een automatische piloot wordt aangezet, en het eigen denken volledig wordt uitgeschakeld.

Keer op keer viel mij dat op, en het interesseerde mij zo erg dat ik mij de laatste drie jaar verdiept heb in de werking van onze psyche. Mijn conclusie is even eenvoudig als controversieel: wij zitten in een zorgvuldig geconstrueerde massapsychose, die, mits gerichte media-propaganda (dat zijn tegenwoordig synoniemen) kan uitgebuit worden naar believen: burgerrechten inperken, oorlogen legitimeren, belastingen verhogen, you name it. Eens de angst erin zit, namelijk, zijn mensen makke lammetjes.

Vraag is: wat doen we daaraan? Wel, mij lijkt één zaak primordiaal te zijn: niet langer bang te zijn om voor “conspiracy theorist” versleten te worden. Wetende dat deze term bedacht werd door precies diegenen die samenzweren tegen de vrije samenleving, zouden we het eigenlijk trots als een geuzennaam moeten voeren.

Bij deze lanceer ik dan ook de volgende leuze:

“Conspirer, c’est respirer ensemble.”
Waar macht samenzit, is samenzwering een feit.

En al wie het tegendeel beweert, die nemen we simpelweg niet meer ernstig.

Dit bericht is geplaatst in Bilderberg, Dictatuur, Maatschappij, Nazi/Fascisten, Politiek, Uit de Euro - Nexitt. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.