Links of rechts ?

Een stukje geschiedenis doet wonderen. Helaas wordt er niet of nauwelijks nog geschiedenis onderwezen. Ja links kijkt wel uit !!

Was Hitler links?

HitlerStel er wordt een politieke partij opgericht die zichzelf socialistisch noemt en in haar programma heeft staan dat de staat de plicht heeft ervoor te zorgen dat alle burgers in hun levensonderhoud kunnen voorzien of door de staat worden onderhouden.

In andere programmapunten belooft de partij: uitbreiding van sociale voorzieningen; goede gezondheidszorg en dito onderwijs die toegankelijk zijn voor iedereen; onteigening van grond ter voorkoming dat particulieren ermee speculeren; nationalisatie van bedrijven die een monopolie hebben en winstdeling bij grote bedrijven.

Dertien jaar later komt de partij aan de macht. Ze heeft haar ideologische veren niet afgeschud; het programma is al die tijd onveranderd gebleven en wordt voortvarend uitgevoerd. Een echte linkse partij, zou je toch zeggen. Maar omdat het nu toevallig de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) betreft, beschouwt bijna iedereen die partij en haar leider, Adolf Hitler, als heel erg rechts.

Er zijn verschillende verklaringen mogelijk voor het rechtse imago dat aan Hitler kleeft. Stalin was zijn grote rivaal in de wedkamp der dictators. Stalin was links, dus gelooft iemand die onbekend is met Hitlers ideologische achtergrond en politiek al snel dat Hitler dan wel rechts zal zijn geweest. Zowel fatsoenlijke sociaal-democraten als neostalinisten hebben er belang bij om Hitler als rechts af te schilderen. Voor de sociaal-democraten geldt dat hun sociaaleconomische politiek gênant veel op die van Hitler lijkt.

StalinAnders dan Stalin wilde Hitler niet een almachtige staat die alle productiemiddelen bezit, maar wel een bemoeizuchtige staat, die voor de mensen zorgt en bepaalt wat goed voor hen is. Veel keurig nette naoorlogse politici wilden net als de NSDAP een geleide loonpolitiek, hoge overheidsuitgaven, nationalisaties, een verzorgingsstaat en een bedillerige Moeder Overheid. Maar ze verzwegen zoveel
mogelijk de overeenkomsten tussen hun beleid en dat in het vooroorlogse Duitsland. Hitler mocht niets gemeen hebben met hedendaagse politici. Hij was immers de duivel in eigen persoon. Hij verdiende die reputatie doordat hij de Tweede Wereldoorlog was begonnen en zes miljoen joden had laten vermoorden. Dat is heel slecht en het is dan ook geen wonder dat de sociaal-democraten Hitler liever niet als links geafficheerd wilden zien.

Hitler had ook iets gemeen met de niet-democratische communisten en socialisten – namelijk dat er steevast heel wat doden vallen na hun machtsovernames. Het overgrote merendeel van de massamoorden in de twintigste eeuw staat op naam van regimes die zichzelf communistisch, socialistisch of nationaalsocialistisch noemden.

Sociaal-democraten konden zich daar effectief van distantiëren omdat ze de individuele vrijheid en onschendbaarheid van lijf en goed respecteerden. Dat geldt niet voor westerse communisten en socialisten. Zij probeerden desalniettemin hun handen in onschuld te wassen. Bijvoorbeeld door de massamoorden in uithoeken van de wereld door communistische en socialistische regimes te ontkennen. Met een redelijke mate van succes. Weliswaar heeft tegenwoordig bijna iedereen gehoord van de slachtingen in de Sovjet-Unie, China en Cambodja. Maar het is minder bekend dat de communistische Polen in de jaren na de Tweede Wereldoorlog anderhalf miljoen burgers vermoordden – hoofdzakelijk apolitieke leden van de Duitse etnische minderheid, maar ook Poolse tegenstanders van de socialistische heilstaat. In communistisch Vietnam (destijds zo geïdealiseerd door links) werden ook anderhalf miljoen mensen door hun regering vermoord. En Tito liet in Joegoslavië ruim een miljoen van zijn landgenoten ombrengen.

De massamoorden van Hitler waren dichtbij huis begaan en onder de slachtoffers waren veel West-Europeanen. Er viel niet veel te ontkennen. Bovendien konden toen Hitler in 1941 zijn bondgenootschap met Stalin verbrak de communisten zich afficheren als antipode van Hitler. Een ideale gelegenheid om Hitler te herdefiniëren als rechts. Het risico dat je daarbij door de mand valt, is te verkleinen door het woord socialist in verband met Hitler te vermijden.

Vandaar dat hedendaags links Hitler een nazi noemt (afkorting van nationaalsocialist, waarin je nauwelijks nog het socialisme herkent) of zelfs een fascist. Hitler was geen fascist. De Argentijn Peron en de Italiaan Mussolini wel. Fascisten waren veel gematigder (en minder links) dan Hitler en zijn niet met historische schande beladen. Vandaar dat er wel een adorerende musical is gemaakt over Evita Peron en haar echtgenoot, maar niet over Eva Braun en haar Adolf. Alessandra Mussolini, kleindochter van de Duce, is een gerespecteerd lid van het Italiaanse parlement en de neofascist Gianfranco Fini (die ruzie kreeg met Alessandra omdat hij het waagde een kritische opmerking over haar opa te maken) is vicepremier.

Nazi’s zijn niet zo salonfähig. Toch blijkt in de praktijk dat de Nederlandse naoorlogse politici nogal gecharmeerd waren van de sociaaleconomische politiek die de Duitse bezetters hier vanaf 1940 tot heden introduceerden. Zo bleef na de bevrijding het door de nazi’s ingestelde College van Rijksbemiddelaars bestaan dat grote bevoegdheden had lonen en andere arbeidsvoorwaarden te bepalen. De nazi’s hebben ook de ontslagvergunning ingevoerd; werkgevers kunnen niet zomaar mensen op straat zetten.

Verder besliste de naoorlogse overheid over de hoogte van huren, pachten en dividenden volgens door de nationaalsocialisten geïntroduceerde regelgeving. De naoorlogse gezondheidszorg was gebaseerd op het Ziekenfondsbesluit uit 1941. De contacten tussen bedrijven onderling, tussen bedrijfsleven en overheid en praktische zaken zoals grondstoffendistributie werden geregeld door de Organisatie Woltersom – alweer een uitvinding van de nazi’s – een overheidsorgaan waarin werkgevers waren verenigd. Die organisatie werd in 1955 opgeheven. Inmiddels bouwde men ijverig aan een verzorgingsstaat naar Duits model.

De Duitse verzorgingsstaat dateert overigens van voor Hitlers geboorte (in 1889). Op 17 november 1881 presenteerde keizer Wilhelm I de ‘Kaiserliche Sozialbotschaft’ – bedacht en geschreven door de hoge ambtenaar Robert Bosse en goedgekeurd door de almachtige rijkskanselier Otto von Bismarck. Tot dat moment boden staten in het beste geval burgers volop gelegenheid om voor zichzelf te zorgen; nu trok voor het eerst de staat de zorgtaak naar zich toe. Er werden allerlei collectieve verzekeringen geïntroduceerd: in 1882 een ziektekostenverzekering; in 1884 een ongevallenverzekering en in 1889 een ouderdoms- en invaliditeitsverzekering. In eerste instantie waren die verplichte verzekeringen alleen bedoeld voor fabrieksarbeiders, maar later werden steeds meer beroepsgroepen erbij betrokken: boerenknechten, bosbouwers, huishoudelijk personeel enzovoort.

Weimar republiekIn de Weimarrepubliek (1919-1933) werd de verzorgingsstaat verder uitgebouwd, bijvoorbeeld met de introductie van de achturige werkdag en een werkloosheidsverzekering (in 1927). Tegelijkertijd bleek de verzorgingsstaat tijdens economische crises onbetaalbaar – bijvoorbeeld toen de hyperinflatie van 1923 de prijs van een brood in 4 maanden van 100 duizend mark tot 20 miljoen mark deed stijgen of toen na de beurskrach van 1929 het aantal werklozen snel toenam, tot zes miljoen in 1932 (bijna een derde van de beroepsbevolking). Bijkomend probleem na 1929 was dat vakbonden en werkgevers het maar niet eens konden worden over arbeidsvoorwaarden. In 1933 kreeg de NSDAP (inmiddels de grootste partij van het land) voor het eerst regeringsmacht.

De leider van de NSDAP was een allochtoon; maar wel eentje die behoorlijk was ingeburgerd.

De Oostenrijker Adolf Hitler was in 1912 naar het Duitse München uitgeweken, omdat hij per se niet in het Oostenrijks-Hongaarse leger wilde dienen. Hij vond de dubbelmonarchie een “Rassen Babylon” en was voorstander van de aansluiting van Oostenrijk bij het Duitse Rijk. Uiteindelijk slaagde hij erin zich af te laten keuren voor militaire dienst in zijn vaderland. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, meldde hij zich als vrijwilliger voor het Duitse leger en bewoog hemel en aarde om in een Beiers regiment te mogen dienen; hij schreef zelfs naar de Beierse koning Ludwig III. Het mocht en aan het westerse front in Vlaanderen maakte hij zich zeer verdienstelijk. Hij begaf zich 48 keer direct in de vuurlinie en verdiende daarmee achtereenvolgens het IJzeren Kruis Tweede en Eerste klasse.

Hitler werd aan zijn been gewond en schreef vanuit het hospitaal een dringend verzoek aan zijn superieuren om hem zo snel mogelijk weer naar het front te sturen. In oktober 1918 was hij tijdelijk blind door een aanval met gifgas en moest enkele weken revalideren. Toen hij uit het ziekenhuis kwam, was de oorlog afgelopen. Enkele maanden later vroeg een nationalistische officier (vermoedelijk Ernst Rohm) hem eens poolshoogte te nemen bij de Deutsche Arbeiterpartei, die zojuist was opgericht door de journalist Karl Harrer en de metaalarbeider Anton Drexler.

Hitler ergerde zich groen en geel aan het vergadercultuurtje dat hij aantrof, maar hij herkende geestverwanten en nam zich voor de zaak op de rails te zetten (waarbij hij op de achtergrond veel hulp zou krijgen van Rohm en zijn mentor Dietrich Eckart).
In 1919 werd Hitler lid en meteen chef propaganda. In 1920 werd de naam van de partij veranderd in NSDAP en schreef Hitler met Drexler een kort partijprogramma van 25 punten. In 1921 werd Hitler partijleider met uitgebreide volmachten.

Het partijprogramma van de NSDAP richtte zich duidelijk op de zwakste en meest kwetsbare groepen in de samenleving. Zo beloofde het een verbod op kinderarbeid en betere oudedagsvoorzieningen. De NSDAP had niet alleen leuke dingen voor de arbeiders in petto, maar ook voor keuterboertjes en pachters landhervormingen) en voor kleine middenstanders (aanpak van de grote warenhuizen). Daarnaast was
er natuurlijk het nationalistische element.

De vredesregeling van Versailles (waarin Duitsland grondgebied dat rijk was aan delfstoffen had moeten afstaan, tot herstelbetalingen aan de tegenstanders uit de Eerste Wereldoorlog werd gedwongen en er geen leger van betekenis meer op na mocht houden) moest worden herroepen. Duitsland zou weer net als iedere andere Europese mogendheid koloniën mogen hebben. Op basis van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren diende een Groot-Duitsland te worden gevormd. Er moest een stop komen op immigratie van niet-Duitsers. Alleen een volksgenoot van Duitsen bloed kon staatsburger zijn. Joden werden expliciet van het staatsburgerschap uitgesloten. Wie geen staatsburger is, zou onder het vreemdelingenrecht vallen en te gast zijn in het land. Als het land niet alle inwoners kan voeden, zouden de gasten moeten vertrekken.

NSDAPHet is een wijdverbreid misverstand dat de NSDAP de steun had van veel grote ondernemers. Hitler was een tegenstander van vrijhandel. Hij wilde een autarkisch Duitsland dat zowel op het gebied van de dagelijkse levensmiddelen en consumptiegoederen als de zware industrie onafhankelijk was van het buitenland. Dus hadden alle bedrijven die hun geld verdienden met im- of export weinig goeds te verwachten van de NSDAP. Verder kondigde Hitler een jaar voor hij aan de macht kwam alvast de hoofdlijnen van zijn eerste vierjarenplan aan en de meeste ondernemers gruwden van zijn staatsdirigisme. Dat lag anders voor bedrijven die (terecht) meenden onder een nazistisch bewind grote staatsopdrachten tegemoet te kunnen zien – in het kader van infrastructurele werken en herbewapening. Zo zouden in 1937 de bouw tachtig procent en de industrie vijftig procent van hun omzet halen uit opdrachten van de staat.

Een ander wijdverbreid misverstand is dat er weliswaar linkse elementen zaten in de NSDAP, zoals Gregor Strasser en Ernst Rohm, maar dat het al snel afgelopen was met links in de NSDAP. Na de Nacht van de lange messen in 1934, toen Hitler hen wegens vermeend verraad uit de weg had laten ruimen, zou het naziregime toch echt alleen maar rechts zijn geweest. De praktijk van Hitlers politiek toont echter anders aan.

Duitsland werd een planeconomie waarin de staat de lonen en prijzen bepaalde. De werkgevers hadden letterlijk de minister van economische zaken als hoogste baas. De staat dwong vanaf juli 1933 bedrijven om samen te werken in kartels in plaats van te concurreren. Het kartel bepaalde de hoogte van de prijzen, investeringen enzovoort in overeenstemming met instructies van bovenaf. De minister van landbouw was de baas van de boerenorganisatie en bepaalde wat boeren verbouwden; zo moest bijvoorbeeld de productie van suikerbieten omhoog.

De overheid liet de bankbiljettenpers draaien en werkte met staatsopdrachten de werkloosheid weg. In Berlijn werden het Olympisch Stadion en de Rijkskanselarij gebouwd. In vier jaar tijd liet de staat meer dan tweeduizend kilometer snelweg aanleggen. In 1937 werden de Reichswerke Hermann Göring opgericht; het staatsstaalconcern dat het grootste van Europa zou worden.

In hetzelfde jaar begon op door de staat geconfisqueerde grootgrondbezit de bouw van de ‘Kraft durch Freude’ autofabriek, plus een dorp voor de werknemers. De autofabriek werd de grootste van Europa en was oorspronkelijk bedoeld om een miljoen Volkswagens per jaar te produceren – elke arbeider zou voor minder dan duizend mark een kever krijgen. De Volkswagen was, in opdracht en volgens specificaties van de staat (Hitler had zich er zelfs persoonlijk mee bemoeid) door Ferdinand Porsche ontworpen. Omdat de oorlog was uitgebroken toen de staatsautofabriek klaar was, werden er militaire voertuigen geproduceerd en slechts een paar honderd Volkswagens voor partijfunctionarissen.

De verzorgingsstaat werd geconsolideerd en iets uitgebreid. Om te stimuleren dat kinderen middelbaar onderwijs voltooiden alvorens de arbeidsmarkt op te gaan, werden kinderbijslag en wezen uitkering tot het achttiende jaar uitbetaald. De oudedagsvoorziening werd verbeterd, in de vorm van een verplichte verzekering voor een lijfrente. Verder werden er allerlei maatregelen genomen om te komen tot “een Duitsland zonder klassen of kasten,” zoals Hitler in 1934 verkondigde.

In dat verband was de instelling van de arbeidsdienst in 1935 heel belangrijk. Zoals Mao in de jaren zestig en zeventig de studentjes op het platteland liet zwoegen om het boerenleven te leren kennen, moest de arbeidsdienst standsverschillen in Duitsland wegnemen. Iedere jongeman tussen de 18 en 25 moest verplicht een half jaartje in arbeidsdienst; voor jonge vrouwen was de arbeidsdienst tot 1939 nog vrijwillig. De jongelui maakten voor een loon dat nauwelijks boven uitkeringsniveau lag moerassen droog en woeste gronden rijp voor de ploeg.

De ArbeidsdienstKonstantin Hierl, leider van de arbeidsdienst, meende: “Er is geen betere manier om de sociale kloof, de klassenhaat en de klassenhoogmoed te overwinnen dan als de zoon van de fabrieksdirecteur en de jonge fabrieksarbeider in hetzelfde uniform hun eredienst verrichten voor volk en vaderland.”

Nivellering en sociale mobiliteit waren belangrijk voor de nationaalsocialisten. In de Weimarrepubliek was hoger onderwijs een privilege voor de oude elite geweest. Hitler liet staatsscholen stichten waar in zijn woorden “herkomst, titel, stand en vermogen” geen rol speelden en die de kans boden dat “ook de armste jongen tot iedere positie kan opklimmen als hij de kwaliteiten daarvoor in zich heeft.” In 1938 kwam er ook een soort colloquium doctum: wie niet de vereiste diploma’s bezat, doorgaans omdat nederige afkomst een studie aan een hogere burgerschool onmogelijk had gemaakt, kon toch met een beurs een universitaire studie volgen.

De partij, de Hitlerjugend en de Bund Deutscher Mädel boden ook volop mogelijkheden voor mensen uit de arbeidersklasse en lagere middenklasse om hun sociale positie te verbeteren. Voor de machtsovername werd het officierskorps van het leger gerekruteerd uit kringen van de Pruisische elite; Hitler gooide de deur open voor de lagere sociale klassen. Er werden in het leger ook uitgebreide scholingsmogelijkheden gecreëerd zodat militairen de kwalificaties voor promotie of een goede baan in de burgermaatschappij konden verwerven.

Hitler was niet zomaar links; hij was zelfs GroenLinks.

Meteen in 1933 werd vivisectie verboden en in 1934 de vossenjacht. Göring sprak over “de martelingen en het onverdraaglijke lijden in experimenten met dieren” en liet weten dat “degenen die nog steeds denken dat zij dieren kunnen behandelen als een gebruiksvoorwerp dat zij bezitten” naar een concentratiekamp zullen worden gestuurd.

De nazi’s waren actieve natuurbeschermers en richtten diverse Nationale Parken op. Hitler was natuur- en dierenliefhebber, vegetariër, sinds de aanvang van zijn politieke carrière niet-roker (daarvoor rookte hij twee pakjes per dag), geheelonthouder en aanhanger van de homeopathie. Zijn regering voerde campagnes voor het eten van volkorenbrood, streekproducten en groenten en fruit van het seizoen. De nazi’s ondersteunden ook de biologisch-dynamische landbouw en de SS-leider Himmler bezat een eco-boerderij.

De staat stimuleerde de burgers om gezond te leven en alert te zijn op ziekten. Mobiele röntgenapparaten werden naar bedrijven, universiteiten en openbare bijeenkomsten gereden zodat alle aanwezigen zich konden laten controleren op longziekten. Vrouwen werden geïnstrueerd hoe ze hun borsten konden onderzoeken op verdachte knobbeltjes. Zwangere vrouwen en zogende moeders werden in voorlichtingscampagnes ontraden te roken of alcohol te drinken.

In de overheidsvoorlichting werd er verder op gewezen dat roken longkanker en hart- en vaatziekten veroorzaakt (hierin waren de nazi’s de Nederlandse overheid tientallen jaren vooruit). Er werden beperkingen opgelegd aan de reclames van de tabaksindustrie. Voor de nazitijd werd roken vaak afgebeeld als stoer of sexy; de nazi’s verboden iedere verwijzing naar sportiviteit of seksualiteit in tabaksreclames. In gebouwen die eigendom waren van de NSDAP mocht niet worden gerookt, evenmin in de wachtkamers van overheidsdiensten. Verder werd er druk uitgeoefend op scholen, universiteiten en ziekenhuizen om het roken te verbieden.

De nazi’s vonden ook dat de genetische kwaliteit van het nageslacht niet alleen een zaak is van de ouders, maar dat de staat zich ermee mag bemoeien. Om iedereen een eerlijke kans op een gezonde geest in een gezond lichaam te bieden, dient de staat het risico te verminderen dat mensen met geestelijke of lichamelijke afwijkingen ter wereld komen. Destijds werd het standpunt dat de staat een taak heeft op het gebied van eugenetica (genetische verbetering) algemeen gedeeld in linkse kringen. Tot de voorstanders van staatseugenetica behoorden bekende linkse intellectuelen, zoals de statisticus en Quaker Karl Pearson, de econoom John Maynard Keynes, de schrijvers George Bernard Shaw en Herbert G. Wells, de bioloog Julian Huxley, de geneticus John B.S. Haldane, de Labour-minister en oprichter van de utopistisch-socialistische Fabian Society, Sidney Webb en in Nederland de seksuele hervormer Jan Rutgers, de feministe Aletta Jacobs en het SDAP-kopstuk Floor Wibaut.

Op 14 juli 1933 werd in Duitsland de Gesetz zur Verhütung erbkranken Nachwuchses aangenomen. Het wetsontwerp was afkomstig van de nationaalsocialistische partij, maar soortgelijke plannen waren tussen 1925 en 1932 door de Duitse sociaal-democraten opgesteld. Vrijwel identieke wetten waren al aangenomen of werden rond die tijd aangenomen in traditioneel sociaal-democratische landen zoals Denemarken, Noorwegen, Zweden, Finland en IJsland.

De Duitse eugeneticawet stelde artsen en advocaten in de gelegenheid om de rechter te vragen opdracht te geven om een lijder aan erfelijke zwakzinnigheid, schizofrenie, epilepsie, ernstige manische depressiviteit, ernstige lichamelijke misvormingen, de ziekte van Huntington of erfelijke vormen van alcoholisme, doofheid of blindheid te laten steriliseren. Als de patiënt of zijn wettelijke vertegenwoordiger het oneens was met de beslissing van de rechter, kon hij in hoger beroep. Deskundigen gaven op de rechtszitting hun oordeel over de erfelijkheid van de kwaal en de mate waarin lijders een last zijn voor de samenleving. Wie echt niet onder het mes wilde, kreeg het aanbod om zich in een gesloten inrichting te laten opnemen waar heteroseksuele copulaties voor patiënten uit den boze waren.

De nazi’s bemoeiden zich actief met de kunsten. Terwijl hedendaagse sociaal-democraten subsidiëren wat ze mooi of interessant vinden, verbood Hitler simpelweg alles wat hem niet beviel. Hierin leek hij op Stalin en zij hadden niet toevallig ook nog dezelfde smaak. Wat in nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie overbleef, was een sociaal-realistische literatuur en beeldende kunst die het nobele van de arbeider, boer en soldaat verheerlijkten en een wat bombastische architectuur die de grootsheid van de volksbeweging en de almacht
van de staat benadrukte. Hedendaagse democratische linkse politici kiezen natuurlijk ook voor kunst die hun politieke ideeën propageert, maar daarnaast appreciëren zij uitheemse invloeden en een beetje brutaliteit in de kunst. Daar hoefde je bij linkse dictators zoals Stalin, Hitler en Mao niet mee aan te komen.

De modernistische houding van democratisch links op artistiek gebied is overigens langzaam gegroeid. Zo deden de jongeren van de Arbeiders Jeugd Centrale, van 1918 tot 1958 de jeugdbeweging van de SDAP (de latere PvdA) en de NVV (de latere FNV), aan volksdansen; ze behoorden natuurlijk niet op de decadente Amerikaanse muziek te dansen. Socialistische kranten zoals Het Vrije Volk en Het Parool waren ook niet erg gediend van de bezoeken van de zwarte Amerikaanse jazzmusicus Lionel Hampton aan Nederland tussen 1953 en 1956. De angst voor zedelijk verval overheerste – niet alleen bij de socialisten maar ook bij de confessionelen. De (rechtse) liberale burgerij was het minst bang voor nieuwlichterij.

Op het gebied van de emancipatie van vrouwen en homo’s huldigde Hitler soortgelijke standpunten als fundamentalistische christenen, joden en moslims. Volgens de nationaalsocialistische ideologie hoorde de vrouw in het kraambed en achter het aanrecht thuis, hoewel in de praktijk de soep minder heet werd gegeten dan zij werd opgediend. Zo nam het aantal vrouwen werkzaam in de industrie tussen 1933 en 1938 met vijftig procent toe. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 zag je overal vrouwen ‘mannenwerk’ doen, omdat het manvolk naar het front werd gestuurd. De antiburgerlijke vleugel van de nazi’s (sterk vertegenwoordigd in de SS) wilde dat buitenechtelijke kinderen dezelfde wettelijke status zouden krijgen als kinderen die binnen het huwelijk werden geboren. De kerken en de behoudende vleugel van de NSDAP waren hier sterk op tegen en bij wijze van compromis werden juridische obstakels voor het verkrijgen van een echtscheiding opgeruimd.

De houding van Hitler tegenover homoseksuelen was merkwaardig. Dietrich Eckart (aan wie Hitler Mein Kampf opdroeg) was zeer openlijk homoseksueel, evenals Ernst Rohm. Over Rudolf Hess (Hitlers rechterhand tot 1941) gingen sterke geruchten dat hij homoseksueel was (over Hitler zelf gingen trouwens ook dergelijke geruchten). Desalniettemin gedroeg het naziregime zich met het verstrijken der jaren steeds vijandiger tegenover homo’s. Het oude wetsartikel dat homoseksuele handelingen strafbaar stelde, werd afgestoft. Wie werd veroordeeld, moest in therapie. Hopeloze gevallen bij wie therapie niet bleek te werken, werden naar het concentratiekamp gestuurd.                    Daar kwamen uiteindelijk enkele duizenden homo’s om het leven.

Nazi’s hadden totaal geen scrupules wanneer het ging om het doden van mensen – iets waarin de nationaalsocialisten zich duidelijk onderscheidden van de sociaal-democraten. De sociaal-democraten staan op het gebied van de rechten van individuele burgers dichter bij de liberalen; en de nazi’s bij de communisten. Geen wonder dat Hitler in 1934 verklaarde: “De verschillen tussen ons en de bolsjewisten zijn kleiner dan de overeenkomsten. Bovenal hebben wij een waarlijk revolutionair gevoel gemeen. Hiermee rekening houdend, heb ik verordonneerd dat voormalige communisten ogenblikkelijk als lid van de nationaalsocialistische partij geaccepteerd dienen te worden.                               De kleinburgerlijke sociaal-democraat en de vakbondsbaas zullen nooit een echte nazi worden, maar een communist altijd.”

Dat ‘waarlijk revolutionair gevoel’ uit zich vaak in genocide. Op de ranglijst van de meest moorddadige régimes (samengesteld door Rudolph Rummel, emeritus hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Hawaï) staan de nationaal-socialisten derde met krap 21 miljoen doden. Zij moeten slechts communistisch China (35 miljoen doden) en de Sovjet Unie (62 miljoen doden) voor zich dulden. Relatief (als we het aantal doden afzetten tegen het aantal mensen dat het régime in zijn macht had) waren de Rode Khmer(Cambodja) de nummer 1 met 2 miljoen slachtoffers.

Zowel communisten als nationaalsocialisten vonden het vanzelfsprekend dat individuen die met hun gedrag ‘het algemeen belang’ schaadden, werden geëlimineerd. Ook waren collectieve straffen gebruikelijk (vaak met de dood) van groepen die ervan verdacht werden het régime te saboteren. Zo veranderde Stalin in 1932 en 1933 het platteland van de ‘ongehoorzame’ westelijke Oekraïne in één groot concentratiekamp (compleet met streefcijfers voor het aantal doden) waar de plaatselijke bevolking dwangarbeid verrichtte voor te weinig voedsel en dagelijks willekeurige executies plaatsvonden. Zeven miljoen Oekraïners kwamen hierbij om het leven.

Wat betreft de joden maakte Stalin een merkwaardige ontwikkeling door. In de beginjaren van het Sovjetregime waren de meeste kopstukken van de communistische partij joods (bijvoorbeeld Trotski, Kamenev, Zinovjev, Boekharin, Jagoda en Radek). Stalin was zonder hulp van zijn joodse kameraden nooit aan de macht gekomen. Hij liet het merendeel van zijn oude kameraden eind jaren dertig executeren en werd met het vorderen der jaren steeds antisemitischer. Vanaf 1948 was het discrimineren van joden overheidsbeleid geworden.

Stalin liet ook ‘lastige’ minderheden zoals Tsjetsjenen, Balkaren, Karatsjajers, Ingoesjeten, Turken-Mescheten en Krim-Tataren massaal deporteren naar de steppe van Centraal-Azië, wat flink wat slachtoffers kostte. Maar tot een systematische poging om bepaalde etnische groepen uit te roeien, zoals Hitler vanaf begin 1942 met de joden en zigeuners probeerde, is het in communistische landen niet gekomen. Overigens ook niet in de landen die een fascistisch régime hadden (Italië onder Mussolini, Argentinië onder Peron en Taiwan onder Tsjang Kai-sjek).

MUSSOLINIMussolini’s beweging had in de beginjaren een aantal joden op prominente posten. De joodse journaliste Margherita Sarfatti was van 1913 tot 1936 Mussolini’s minnares. Net als Mussolini maakte ze de overstap van socialisme naar fascisme. Zij hielp hem met de planning van de Mars op Rome in 1922, schreef zijn biografie in 1925 en diende regelmatig als speechwriter of ghostwriter van zijn artikelen. In 1938 nam Mussolini een paar antisemitische wetten aan om Hitler een plezier te doen, maar de Italiaanse joden hoefden geen moment voor hun hachje te vrezen.

De ideologische wortels van zowel de nationaalsocialisten als van de fascisten liggen in het marxisme. Karl Marx was een jood zijn echte naam was Moses Levy Mordecai De Franse revolutionaire ideoloog Georges Sorel vond dat je het marxisme niet moest presenteren als een theorie met wetenschappelijke pretenties maar als een anti rationalistische mythe waar best een flinke scheut patriottisme bij mag – zo krijg je de arbeidersklasse het beste op de been. Hij inspireerde zowel Lenin als Mussolini.

Fasces

Fasces

Tot grote vreugde van Lenin werd Mussolini in 1913 bestuurslid van de Italiaanse socialistische partij en hoofdredacteur van haar blad. In 1914 werd hij echter uit de partij geschopt omdat hij voorstander van Italiaanse deelname (als tegenstander van Duitsland) aan de Eerste Wereldoorlog was. Na de oorlog richtte hij een beweging op die socialisme combineerde met nationalisme. De naam fascisme is afgeleid van de fasces, een samengebonden roede van berkenhout met een bijl die in de tijd van het Romeinse Rijk symbool was van ‘eendracht maakt macht.’

In 1922 kwamen de fascisten aan de macht. De beroemde Duitse socioloog Robert Michels (die de Duitse sociaaldemocratische partij had verlaten omdat hij haar niet links genoeg vond) kreeg van Mussolini een leerstoel aangeboden om het economisch beleid van de fascisten uit te werken. De Belgische socialistische socioloog Hendrik de Man, auteur van het Plan de Man (waarin een zelfde aanpak van de werkloosheid werd aanbevolen als ook Hitler voorstond) en die vanaf 1935 als minister ook uitvoerder van dat plan was, bekeerde zich in de loop van de jaren dertig eerst tot het fascisme en toen tot het nationaal-socialisme. Vooraanstaande linkse intellectuelen uit die tijd, zoals de schrijver George Bernard Shaw en de schilder en schrijver Percy Wyndham Lewis, prezen Stalin, Mussolini en Hitler in één adem.

Deze drie dictators waren alle drie links. Een essentieel onderdeel van hun ideologie is de geleide economie, terwijl rechts principieel kiest voor laissez faire. Stalin, Mussolini en Hitler wilden – als echte linkse mensen – een uitgebreide verzorgingsstaat, terwijl rechts wil dat burgers zelf verzekeringen tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid afsluiten. Volgens de (nationaal-) socialistische ideologie waakt de staat over de gezondheid van de burgers en is het bovendien een burgerplicht om gezond te leven omdat men zich dan nuttiger kan maken voor de gemeenschap.

Rechts daarentegen vindt dat het een zaak van het individu is hoe ‘ongezond’ hij wil leven. Links wil een grote staat met een uitgebreid takenpakket, bijvoorbeeld bescherming van de natuur. Rechts vindt dat natuurliefhebbers maar geld moeten betalen aan particuliere organisaties zoals Natuurmonumenten, zodat die natuurreservaten kunnen kopen.    Rechts ziet nauwelijks een rol voor de overheid, behalve in de drie kerntaken: bescherming van vrijheid, lijf en goed van de burgers.

Laat dat nou precies overheidstaken zijn waar Stalin, Mussolini en Hitler zich weinig aan gelegen lieten liggen. Dat geldt echter ook voor rechtse dictators zoals Pinochet in Chili (1973-1990) en het geldt niet voor sociaal-democraten. Dus geweld en onderdrukking zijn niet per se links. Maar linkse dictators vervallen wel makkelijker in massamoord dan hun rechtse collega’s, omdat links gedreven wordt door een hoog ideaal dat de staat een Nieuwe Mens moet creëren – en daar moet men soms (mensen)offers voor brengen.

Kenmerkend voor links is ook dat men wil terugkeren naar een natuurzuivere levenswijze. Volkert van der Graaf zou een man naar Hitlers hart zijn geweest. Daarnaast hechtte Hitler aan family values en een traditionele rolverdeling tussen man en vrouw. Men kan dit conservatisme rechts noemen, hoewel natuurlijk de rechtse liberalen op dit gebied juist progressief zijn.

Nationalisme kon men traditioneel zowel bij links als rechts aantreffen, waarbij rechts voorstander was van vrijhandel en globalisering (dus van vreedzame competitie tussen naties) terwijl communisten liefst met geweld aan andere landen het eigen systeem opdrongen. Karl Marx was een virulente antisemiet (hoewel zelf van joodse afkomst) en zijn kompaan Friedrich Engels wilde de Duitse macht over Elzas-Lotharingen, Nederland en België herstellen. Hitler had het niet van een vreemde.

Racisme en nationalisme treft men ook bij modernere linkse kopstukken aan. Ulrike Meinhof van de Rote Armee Fraktion (RAF) schreef in de jaren zeventig “antisemitisme is eigenlijk haat tegen het kapitalisme.” De enige volkerenmoord in Europa na de val van de Berlijnse Muur werd gepleegd op instigatie van Milošević, die soepeltjes van een socialist in een nationaalsocialist veranderde. De kloof tussen socialisten en nationaal-socialisten blijft klein.

In 2000 sloot Horst Mahler, medeoprichter van de RAF zich aan bij de nationaalsocialistische Nationaldemokratische Partei Deutschlands (NPD). NPD-voorzitter Udo Voigt verklaarde november 2004 in het Duitse EF Magazine dat de NPD strijdt om “het liberaalkapitalistische systeem het huichelachtige masker van het gezicht te rukken.” Hij sprak zich uit tegen “de asociale, globalistische economische politiek van Duitsland.” De NPD gaat prat op haar goede contacten met de enig overgebleven stalinistische staat, Noord-Korea, en heeft haar aanhang vooral in de voormalige DDR, waar velen terug verlangen naar het socialisme.

Neonazi’s verwerpen het decadente, materialistische, individualistische Westen. Communisten en socialisten denken daar precies hetzelfde over. Het enige verschil tussen neonazi’s en hedendaagse westerse communisten en socialisten is dat westers-links tegenwoordig afkerig is van nationalisme en racisme (dat geldt weer niet voor links in de voormalige Sovjet-Unie). Westerse communisten zien bij het ondermijnen van het kapitalisme een belangrijke rol weggelegd voor de allochtone onderklasse, terwijl de neonazi’s exclusief de frustraties van de autochtone onderklasse aanwakkeren.

Wij hebben nog geen Nederlandse NPD, dus als Hitler nog leefde en een Nederlandse stemwijzer zou invullen, kreeg hij waarschijnlijk het advies om voor de Socialistische Partij te kiezen.

ODVN - Logo

 

 

 

 

 

Dit artikel verscheen eerder in HP/De Tijd

Één reactie op Links of rechts ?

  1. halo1 schreef:

    Uw visie is weliswaar origineel..maar toch een paar kanttekeningen. Het communisme- socialisme gaat niet uit van het exclusiviteitsdenken..heeft dus geen planmatige destructie + aanvalsoorlog (de rechtse elementen bij uitstek in de traditionele zin ) op het oog..wel occasionele defensieve destructie natuurlijk. Verder was Hitler natuurlijk geen “allochtoon”‘.. het verschil tusen een Beier en een naar Beieren uitgeweken ontevreden Oostenrijker is verwaarloosbaar.. te meer daar strijders voor de gemeenschappelijke zaak automatisch Volksgenossen werden.Ook “rechts” was Hitlers “Lust am Leben” (taartjes eten, muziek beluisteren enz) en sterven voor Duitsland ,het Vaderland ,als iets heroieks te beschouwen.. dit kunt u toch niet links noemen. Hitler bouwde veel linkse aspecten in zijn ideologie in om de rechtse zaak: Lebenstraum + Duitse exclusivitei al strijdend t voor elkaar te krijgen.. gelijk hij ook in Mein Kampf aangaf als oorzaak voor de verloren eerste Wereldoorlog : ontevredenheid bij de gewone mensen die aldus gewonnen moesten worden voor de nationale zaak .Mijn conclusie :het nationaal-socialisme was voor 50 % links en voor 50 % rechts.. dat maakte het juist zo uniek en voor veel mensen toen aantrekkelijk.. en u focust alleen maar de 5o % linkse elementen .. ofschoon je natuurlijk van mening kan verschillen over dat 50-50 % gewicht.

Geef een reactie